Donderdag 29 april werd ‘Op de weg van Appia’ (uitgeverij Vrijdag) voorgesteld in de grote zaal van de Arenbergschouwburg via een livestream die nog steeds kan herbekeken worden. Classicus Patrick Lateur leidde het boek bevlogen en met kennis van zaken in.

Patrick Lateur

Wie nog nooit op de Via Appia stond, kent die oudste snelweg van Europa wel via de film Spartacus en het verhaal van de zesduizend slaven die na hun opstand in 71 v.C. werden gekruisigd tussen Capua en Rome. Of via Cicero’s Pro Milone met de moord – zowat twintig jaar na Spartacus – op Clodius. Een geval van politieke straatbenden. Van Cicero lazen we misschien te veel retoriek en te weinig brieven. Daarin heeft hij het geregeld over zijn villa’s waarvan er twee in de buurt van de Appia lagen, in Gaeta en in Formiae. Dat klinkt al iets vredelievender en zo zien we die weg ook het liefst: als de heirweg (een van de vele vanuit Rome) van militairen en commercanten, reizigers en ambtenaren richting Midden-Oosten en Afrika, zonder het lokaal verkeer te vergeten. De minder bekende dichter Statius (1ste eeuw) noemde de Appia: ‘longarum … regina viarum’. (Silvae 2.2.12)

         Die Appia spreekt vandaag nog tot de verbeelding en er gebeurt nogal wat rond die weg. Alleen al dit jaar in La Repubblica: in Rome werd in maart aan het begin van de Appia niet ver van Quo Vadis een Romeinse villa met mozaïeken staatseigendom en wordt dus toegankelijk; aan het andere uiteinde van de weg in Brindisi werd eind januari een webinar over de Appia georganiseerd; en tussen die twee uiteinden in werden in het theater van Terracina in januari inscripties gevonden op de sokkels van beelden ter ere van Augustus’ zonen en in Fundi kwamen in februari resten van het amfitheater aan het licht.

Belangrijker dan die lokale vondsten en evenementen is de plaats die de Via Appia sinds lang in de collectieve beleving inneemt. Zij is een van de mythische wegen die in de mens de homo viator appelleren. Niet alleen de viator als de stapper en reiziger, ook de homo viator als metafoor voor de menselijke existentie. Gabriel Marcel gebruikte het als beeld van de espérance, de hoopvolle verwachting. Reizen is uitkijken naar het onbekende om finaal vooral zichzelf tegen te komen en zichzelf te herontdekken. Ik denk aan middeleeuwse pelgrimswegen als de Via Francigena van Canterbury naar Rome, waarrond Luc Devoldere De verloren weg schreef. Ik denk aan de veelbezongen Camino naar Compostela. Ook aan de vrij recente Cammino di Dante van Ravenna-Firenze retour n.a.v. 700 jaar Dante. Een tocht langs de Via Appia past in dat rijtje van universele ervaringen van de Homo Viator. 

         Maar het begin daarvan is steeds een particuliere ervaring. Ooit stond de vijfjarige Michaël Vandebril op de Via Appia. We schrijven 1977, vader Alex fungeerde tijdens de grote vakantie als gids in San Sebastiano, het gezin verbleef in de buurt. Ik heb snotneus Michaël daar voor het eerst ontmoet. Ik stel me voor dat toen al de lokroep groot was: wat ligt er verderop op die basalten stenen, en hoe ver loopt die weg? Ver dus. En het was dus de weg die zich opdrong: het is de oude weg die verzen schrijft, lees ik in het begin van de bundel (v.5).

         Vandebril zette zich op weg in het spoor van andere dichters die hij met literaire knipoogjes verwerkt in zijn verzen. Auteurs die meespelen zijn o.m. Aafjes, Brecht, Horatius, Pound. Michaël is een moderne Aafjes, maar zijn voetreis eindigt niet in Rome, zijn reisgedicht begint in de Urbs. En hij loopt deels in het spoor van de Romeinse dichter Horatius die in zijn Satiren I.5 zijn reis evoceert van Rome via Beneventum en daarna door de bergen naar Brindisi. Vandebril spreekt Horatius ergens aan met ‘beste dichtersvriend’ (Benevento). Het is goed te weten dat Horatius zelf in het spoor schrijft van de satirendichter Lucilius die in Iter Siculum – Reis door Sicilië (119-116 v.C.) een reeks thema’s aansnijdt die Horatius inspireerden. De ouverture van Horatius doet bovendien denken aan het begin van Odysseus’ reisverhaal bij de Faeaken (Odyssee 9). Via Horatius spelen dus nog andere dichters mee. Het is een leeslaag die je met plezier ondekt. Het maakt van de bundel een merkwaardig voorbeeld van moderne imitatio.

Vandebril schakelt zich bewust in binnen die rij van artistieke reizigers. Hij schrijft eigenlijk een lang episch gedicht van 455 verzen, evenveel als het aantal Romeinse mijlen van Rome naar Brindisi. En genummerd, zoals in edities van antieke teksten. Geen hoofdletters, geen interpunctie, op een paar uitroeptekens na. Een doorlopende tekst, waarin de 21 onderscheiden stadia een titel (de locatie) meekrijgen in de marge. Vooraf is er een titelloze intro, het slot draagt de zinvolle afscheidsgroet vale. De verzen worden voorafgegaan door een overzicht van de reisweg. Dat werkt als een uitnodiging om mee te reizen in de geest. Na de verzen volgen zowat 15 bladzijden aantekeningen: toelichtingen bij de respectieve onderdelen, de genese van de bundel en adviezen voor de Appia-reizigers. Een uitnodiging om de weg ook echt af te leggen.

De aloude ruïnes en dito landschappen in Op de weg van Appia geven zijn tocht een dimensie die de verzen onttrekt aan elke beperking van een momentopname. Bij de plek Ad Pinum lezen we: het licht verschuift de velden / op wolkenritme we waden / door zijden heuvels / met voetstappen van jaren / volgen de levenslijn / op de palm van het land. (334-340). Hier is de wandelaar aan het woord die gevoel heeft voor traagheid. Het doet me denken aan wat Frédéric Gros zegt in zijn essay Marcher, une philosophieTraagheid is in perfecte overeenstemming zijn met de tijd. Het is een van de geheimen van het wandelen: een trage benadering van landschappen maakt ze gaandeweg vertrouwd. (45-46). 

         Daarbij staat de dichter open voor alles wat hem tegemoetkomt. Het is cultuur-historisch een mix van antieke Griekse en Romeinse elementen, vroegchristelijke en Byzantijnse, hij participeert als het ware aan oude rituelen bij de Porta Capena in Rome, in de Mithrastempel van Capua, in een rotskerk in Gravina. Plaatst de dichter zich dan buiten de tijd? Helemaal niet. Zijn ogen blijven open voor wat er her en der vandaag misloopt: de dodelijke staalfabriek ILVA in Taranto en de migranten-tomatenplukkers op weg naar Egnazia. Vandebril vult zijn landschappen in op zijn manier, in een afwisseling van ernst en spel. Bij dat laatste speelt alweer Horatius mee. In Fundi klinkt het bij Vandebril: Wat morgen brengt /moet je me nu niet vragen (137-8). Da’s een echo van Horatius bekende Carpe diem. Het slotvers uit Oden 1.11: carpe diem quam minimum credula postero – pluk de dag, vertrouw zo weinig mogelijk op de dag van morgen.

         De ernst drukt zich op een uitzonderlijk moment en op een uitzonderlijke plek uit in een sterke zelfreflectie. Voorbij Benevento en voorbij halverwege (175 mijlen van de 455 zijn afgelegd) bevindt de dichter zich bij de restanten van de Ponte Appiano in de buurt van Apice aan de Calore. In een ruraal landschap staat nog één brugboog van de negen bewaard, zonder water, want de rivier heeft zich al lang verlegd. Overal elders in de bundel spreekt het ik van de dichter, hier spreken de stenen van de brug tot de dichter : jij zal ook worden /wie ik nu ben (290-1). De verdichte voettocht wordt een confrontatie én het momentum voor de dichter om voorbij het mezzo dell cammin zijn existentiële queeste voort te zetten. De stenen wijsheid van de Ponte Rotto herinnert hem aan zijn efemere aard maar spoort hem gelijk aan: ‘trek /naar nieuwe oorden.’  Dat is de vijfde in een reeks imperatieven die bezwerend klinken: vergeet niet /dus eet /herstapel me /ga nu heen /trek naar nieuwe oorden.

         Ik wil nog een laatste thema aanraken dat ook wel Horatiaans aandoet, maar voor Vandebril en voor de bundel zelf van essentieel belang is. de vriendschap. De dichter is immers niet alleen onderweg. In Sinuessa / Mondragone komt hem zijn vriend-kunstenaar Bart Pluym tegemoet. de vreugde van een vriend klinkt het in vers 221. Het samengaan van verzen en tekeningen in de bundel bracht me een essay van Michel Onfray voor ogen: Théorie du voyage (2007) met een klein hoofdstuk over Réaliser l’amitié. Onfray schrijft dat vrienden op reis een gemeenschappelijk gebruik van tijd, ruimte en energie genereren. En zij delen de stilte, vermoeidheid, emotie, verstandhouding. Wat Onfray zegt is voelbaar en zichtbaar in Op de weg van Appia. Artistieke zielen begrijpen elkaar op reis. Ook Horatius had tijdens zijn tocht langs de Appia het gezelschap van vrienden, o.m. van zijn beste vriend Vergilius. Horatius had wel geen plastisch kunstenaar in zijn gezelschap. En dat dit jammer is, bewijst Bart Pluym die diverse locaties en indrukken weergeeft in houtskool- en inkttekeningen die een grote présence krijgen in de bundel. Daarmee knipoogt hij op zijn beurt deels naar de aquarellen van Carlo Labruzzi, eind 18de eeuw. Met zijn autonoom beeldverhaal geeft Pluym een extra dimensie aan de woorden van de dichter. Schrijvers en schilders maken dagboeken in woord en beeld. Op de weg van de Appia bestaat uit twee complementaire dagboeken.

         De bundel van Michaël Vandebril met werk van Bart Pluym is een ode aan cultuur en natuur, aan mythe en geschiedenis, aan vriendschap en gastvrijheid. U die kijkt, lees hem, de bundel is een reis in de geest. En steek hem daarna in de valies wanneer je ook in het echt ergens onder Rome reist.

Patrick Lateur, 29 april 2021